Het verhaal van Rosalie

Ze is gestuurd en weet eigenlijk niet zo goed wat ze komt doen, maar iedereen zegt tegen haar dat ze eens moet gaan praten met mij en eigenlijk is ze wel nieuwsgierig zegt ze. Ze zit kaarsrecht op, neus een beetje omhoog, armen over elkaar. Het voelt bijna als een uitdaging naar mij, kijkend wat ik in huis heb.

“Waarom zouden mensen jou naar mij sturen” vraag ik haar en dan haalt ze haar schouders op. “Ze zeggen dat, als ik niks doe, ik straks in het ‘zwarte gat’ zal vallen” en ze maakt er een soort spookbeweging bij, alsof ze het zelf niet zo serieus neemt.

Een aantal weken geleden ontmoette ik haar voor het eerst op de mammapoli. Ze voelde een knobbeltje in haar borst en na onderzoek bleek het te gaan om borstkanker. Inmiddels is ze geopereerd en bijna klaar met de bestraling. Nu ik terugdenk aan ons eerste gesprek viel me op dat ze weinig van haar emoties liet zien: ze was niet boos dat het haar overkwam, niet verdrietig, niet vol ongeloof, eigenlijk helemaal niets, ze nam de boodschap aan en vertrok met de vraag wanneer haar volgende afspraak zou zijn.

Ik besluit om mijn observatie van onze eerste ontmoeting aan haar voor te leggen als eerste verkenning naar wie ze is. Als ik mijn kant heb verteld kijkt ze me even geschrokken aan alsof ze is betrapt, om dan kordaat te melden dat ze dat eigenlijk altijd doet. “Niet dat ik er niet van geschrokken ben of zo en ik heb thuis ook echt wel even gehuild hoor” voegt ze er nog snel aan toe.

“Lijkt me dat je iemand bent die een hoop kan hebben”, zeg ik. “Ja, denk het wel, ik ben niet zo gauw van mijn stuk”, beaamt ze en ze kijkt er bijna een beetje trots bij.

“Zijn er meer momenten in je leven geweest waar dat goed van pas kwam?” Ze denkt even na, zucht een keer diep en steekt dan van wal: toen er veel gedoe was op haar werk, tijdens de scheiding van haar eerste man, na een miskraam en ja, heel vroeger ook nogal vaak. Terwijl ze het laatste vertelt draait ze haar ogen weg en slaat ze haar benen over elkaar, duidelijk een onderwerp waar ze het niet over wil hebben.

Ik laat bewust een lange stilte vallen, voel mijn eigen ongemak, mijn hartslag gaat omhoog en mijn adem stokt in mijn keel…..net als bij haar zie ik, vast in haar eigen wereld.

“Daar zit het” en ze wijst naar haar hart. Haar stem is samengeknepen, klein, zacht. Er rolt een traan over haar wang, gevolgd door nog een. “Jij bent goed” zegt ze “je hebt nog maar drie vragen gesteld en we zijn al waar het zeer doet.”

“Het heeft je vast een hoop opgeleverd maar ook een hoop gekost” zeg ik haar. Ze knikt. Ze is sterk, vastberaden, een doorzetter en kan een hoop hebben, maar wat het haar heeft gekost is een moeilijke vraag. Na lang nadenken zegt ze “ik kan gewoon niet meer voelen.”

Terwijl ik naar haar kijk voel ik bij mezelf een soort angst op komen, want dit is zo’n groot onderwerp. Waar zij als kind leerde om onzichtbaar te zijn om te overleven, speelde ik met poppen, bouwde hutten in de tuin en mochten alle buurkinderen mee eten. Vaak gebruik ik interventies die raken aan thema’s die iedereen in zijn leven meemaakt, die mij raken zodat ik er vol kan zijn voor de ander. Niet dat ik dan meteen weet welke interventie ik moet toepassen, maar het helpt wel om te werken vanuit mijn gevoel.

Wat ik voel is een intense eenzaamheid, iemand die jong geleerd heeft haar eigen boontjes te doppen en dat werkte alleen als ze net deed of ze er niet was. Door zich niet te verbinden met de mensen om haar heen probeerde ze niet gekwetst te worden, maar voor mij zit een ongelofelijk verdrietig meisje.

Ik vraag haar wat ze wil leren en na lang aarzelen zegt ze “Ik wil weer heel worden.”

“Zullen we haar dan maar op gaan halen” vraag ik haar en ze knikt, ze begrijpt meteen wie ik bedoel. Ik zie angst in haar ogen, maar ook een intens verlangen. Lang geleden heeft ze ‘haar kleine ik’ achtergelaten, geprobeerd alles achter te laten wat pijn doet, maar daarbij is ze een deel van zichzelf kwijtgeraakt en dat wil ze dolgraag op gaan halen, intern wetende dat dit heel hard werken wordt.

In de minuten daarna, die eindeloos lijken te duren en een enorme tsunami aan gevoelens opwekken worden een klein meisje van zes en een volwassen vrouw van 48 herenigd. Door alle tranen heen zegt ze dat ze zich schuldig voelt dat ze nooit iemand heeft laten weten wat er thuis gebeurde, maar als ze nogmaals naar haar zesjarige zelf kijkt komt er compassie, een hart vol liefde naar een kind wat nog heel klein was en niet bij machte iets te doen. Het is bijna niet te beschrijven hoe dit eruit ziet en ook bij mij maakt het heel wat los.

“Hoe was dit voor je?”, vraag ik als we beide letterlijk weer op adem zijn gekomen. “Heel heftig en heel mooi en ik voel me nu ineens heel groot en heel klein” zegt ze dan. Dan moet ze ineens heel hard lachen. “Hoor je dat ik vier keer het woord heel heb gebruikt in deze zin, denk dat het wel gelukt is dat heel worden, of niet?”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.