Het verhaal van Indira

Ze is al een keer bij me geweest en neemt steevast wat lekkers voor me mee. “Is normaal, doen we altijd waar ik vandaan kom” zegt ze ook deze keer weer met een grote glimlach. Ik durf prompt niet meer te weigeren en het is heerlijk, maar ben ondertussen blij dat niet alle patiënten dit doen want dan groei ik dicht! Wanneer ik koffie heb gepakt voor bij het lekkers gaat ze meteen van start alsof er geen tijd te verliezen is.

“Ik kan gewoon niet meer, geen idee waar ik de energie vandaan moet halen en ik vind het niet goed van mezelf dat ik steeds zo lelijk naar de kinderen doe.” Ze zegt het bijna staccato, tilt haar hoofd met een kort knikje op en kijkt me aan alsof ik de oplossing vast wel weet en mag delen zodat ze verder kan. Ik ben wat overrompelt door de snelheid en vraag me af wat ze nou eigenlijk zegt, maar vooral wie hier nou eigenlijk spreekt. Iedere keer als ik haar ontmoet lijkt het alsof er twee mensen langs komen: de Indira die net een zware behandeling voor borstkanker heeft ondergaan en ogenschijnlijk nog iemand die ‘spreekt met het vuur op haar tong’, anders kan ik het niet beschrijven. Iemand die heel wat te redden heeft, die continu achterom moet kijken waar de dreiging vandaan.

Ik weet dat ze uit Afghanistan komt en dat ze een aantal jaren geleden samen met haar zusje en haar oma is gevlucht en uiteindelijk in Nederland terecht zijn gekomen. Haar vader heeft ze nooit gekend en over haar moeder heeft ze het tot nu toe nog niet gehad. Ik vraag haar wat haar zo moe maakt en of ze een voorbeeld heeft wat er gebeurt als ze lelijk doet naar de kinderen maar merk dat we niet verder komen. Mijn leermeester zei altijd dat ik mag luisteren naar mijn voorgevoel en dat je het niet fout kan doen, hooguit dat je voorgevoel niet klopt, dus ik waag het erop.

“Wie in jou, spreekt er met het vuur op haar tong?” Terwijl ik het zeg schieten haar ogen alle kanten op. Ze wil iets zeggen maar drukt snel haar hoofddoek voor haar mond en lijkt zich geen raad te weten. Het is bijna angstaanjagend om te zien. Instinctief noem ik haar bij haar naam en zeg dat ze bij mij veilig is en ik kijk haar net zo lang aan totdat ze mijn ogen weer gevonden heeft. Er staan dikke tranen in en haar handen zitten inmiddels vastgeklemd in haar schoot terwijl ze het lichaam zachtjes heen en weer wiegt. Het beeld raakt me enorm, ik heb de neiging haar te troosten en vast te houden maar doe het niet omdat ik weet dat het wiegen een vorm van stress-release is en ik het niet wil verstoren. Ze wiegt een tijdje heen en weer en wend haar blik af.

Wanneer het wiegen is gestopt is ze lang stil. Ze lijkt te wikken en wegen wat ze zal zeggen en kijkt me dan indringend aan met haar zwarte kijkers. Dan zegt ze zachtjes: “Jij hebt mijn moeder gezien, ze is er dus nog…..”

Ze huilt. Niet van verdriet, maar van geluk dat haar moeder nog ‘in haar is’. Ze vertelt dat haar moeder altijd de strijder was in hun familie, haar grote voorbeeld, maar dat ze de oorlog niet heeft overleefd. Dan is ze weer stil, de gedachten buitelen over elkaar heen en ze lijkt even terug te gaan naar vroeger, naar fijne en verschrikkelijke herinneringen, maar vooral naar haar moeder. Haar gezichtsuitdrukking wordt steeds zachter en er volgt een dikke zucht. “Dat was fijn, ik kan weer verder” zegt ze dan. Zonder vragen staat ze op, ik krijg ongevraagd een dikke knuffel en weg is ze.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.